dinsdag 28 juni 2016

Samsom en Pechtold zeggen het vertrouwen in de kiezer op, wat nu?

                                                                       
van de zwakheid van het huidige politieke bestel

Na verkiezingen hoor je iedere partijleider zeggen dat de kiezer altijd gelijk heeft. Die mantra wordt bij elke verkiezing weer herhaald. Ik heb nooit geloofd dat ze het echt meenden, het is vooral een zelftroost voor partijen die hebben verloren. Na de verkiezingen is de kiezer zijn stem kwijt. Hij heeft niet op een partij gestemd, maar op een verkiezingsprogramma. In Nederland gaan de partijen als eigenaren aan de slag om het partijprogramma te realiseren en sluiten om aan de regering deel te kunnen nemen compromissen die de kiezer lang niet altijd kunnen bekoren. Regeringspartijen krijgen zo bijna een blanco mandaat. Dat zou anders moeten.

Het huidige democratische bestel beschouw ik als versleten en uit de tijd. Een partij die dat al vroeg inzag, D’66, had interessante ideeën voor vernieuwing. Toen Terlouw aantrad werden die opgeborgen in het naaimandje en zijn opvolger Pechtold zette het naaimandje vervolgens op zolder. Alleen al met zijn narcistisch charisma en zijn afkeer van mensen die bij verkiezingen hun vertrouwen aan ‘populistische’ partijen gaven, wist hij de partij weer op de been te krijgen met het Pechtoldisme. Nu er stemmen opgaan voor een referendum over het vertrek van Nederland uit de Europese organisatie, is hij er als de kippen bij om zijn achterban van welbedeelden te bedienen met een ferm ‘nee’. Dat gaan we niet doen, dat is niet in ons belang, zo’n referendum komt er alleen over mijn lijk want het volk is niet te vertrouwen!

Samsom viel hem bij. Hebben we net zo hard gewerkt om Nederland weer op poten te krijgen en dan zal straks zo’n stel tokkies zonder verstand Nederland naar de gallemiezen helpen door voor een Nexit te stemmen. Gaan we niet doen! De partij die in de polls nog maar een mini-partijtje is, maakt zich, nu het nog kan, breed voor een ferm nee. Gaan we niet doen!

Het Oekraïne-referendum lijkt politici, Samsom en Pechtold voorop, maagpijn te hebben bezorgd. ‘Dat nooit weer’, lijken ze te zeggen. Ze drukken daarmee een voorkeur uit voor een technocratisch bestel boven een democratisch bestel. Zo zullen ze dat niet zeggen. We kunnen echter beter kijken naar wat ze willen en doen, dan naar de vage politieke statements waar ze zich achter plegen te verbergen. Alleen nu de  Haagse  en Brusselse macht bedreigd wordt, zijn ze ineens glashelder.

De vertrouwensbreuk die zich aftekent tussen politici en het volk staat al een aantal jaren op de agenda van politieke partijen. Het heeft nooit tot iets van betekenis geleid. In den Haag zijn ze kennelijk bang voor veranderingen die de kiezer meer macht geven. Nu de kiezer (volgens de peilingen) grote interesse blijkt te hebben voor een Europa-referendum, gaan Samsom en Pechtold er dwars voor liggen. Omdat ze geen vertrouwen in de kiezer en een mogelijke uitslag hebben.

Als de kiezer buiten de momenten van verkiezingen wil spreken, hebben ze dat liever niet. Het wantrouwen van het volk ten opzichte van politici, blijkt een tegenhanger te hebben in het wantrouwen van politici in het volk. Er zit maar één ding op. Het volk zal hen een referendum door de strot moeten duwen. Het volk is de baas, niet de politici.

In België en Nederland is een Referendumpartij actief. De kraamkamer van de democratie bevat meerder veelbelovende initiatieven. Met een beetje goede wil moet er met de inzet van het Forum voor Democratie, GeenPijl en vele anderen, waaronder teleurgestelde leden van D’66 en de PvdA, toch kunnen lukken om een Nederlandse Referendum Partij van de grond te krijgen die naar Zwitsers voorbeeld en met andere democratische vernieuwingen het politieke bestel grondig wijzigt. De tijd is er rijp voor en de steun voor vernieuwing schat ik op massaal.

Van de oude partijen is geen initiatief te verwachten. Net al vele anderen heb ik al jaren geen favoriete partij meer. Stemmen is bij mij al jaren een keuze zonder overtuiging. Weinigen voelen zich nog geroepen om lid van een partij te zijn. De fut is er uit. Een grondige vernieuwing van het politieke bestel en van politieke ideeën is waar een meerderheid in Nederland op zit te wachten!


maandag 27 juni 2016

“Het ergste moet nog komen!”

                                                                   
Zalig zijn de sterksten zonder moraal

“You ain’t seen northing yet”, sprak een belangrijk man van een belangrijke Europese denktank in de uitzending van Nieuwsuur en bleef daar onbewogen bij. Ook de interviewende Twan Huys bleef er onaangedaan bij. Als de man verteld had dat we een natte zomer zouden krijgen, hadden we waarschijnlijk meer van Twan’s emoties kunnen zien. De boodschap van de belangrijke man van de belangrijke Europese denktank was dat hun onderzoek liet zien dat het ‘populisme’ nog steeds groeiend was en voor talrijke verrassingen zou kunnen zorgen. Dat moet koren op de molen van Alexander Pechtold zijn geweest. In een paginagrote advertentie laat hij vanmorgen weten dat Nederland op D’66 kan rekenen in de strijd tegen het ‘populisme’. Dat is precies de verkeerde reactie.

Met ‘populisme’ wordt de onvrede bedoeld die gekanaliseerd wordt door partijen die de bestaande orde willen veranderen en hun populariteit danken aan de onverbloemde wijze waarop ze dat agenderen. In Nederland is het vooral D’66 dat de strijd tegen het ‘populisme’ aanbindt. Niet mijn D’66 . Met heimwee denk ik terug aan de tijd dat de partij onder leiding van mensen als Hans van Mierlo en Anneke Goudsmit de bestaande orde wilden veranderen. Als het ze gelukt zou zijn, zouden we in een iets ander en democratischer Nederland leven. Pechtold nam de partij na een historisch dieptepunt over, goot bleekwater over alle mooie principes en vormde de partij om tot een ledenclub van politiek correct Nederland.

“Wordt lid, Juist nu!” tettert de advertentie: “Om Nederland te beschermen tegen de populisten en tegen andere partijen die in hun kielzog meelopen”. Daarmee kiest D’66 voor de polarisatie die de partij anderen verwijt. De als ‘populistisch’ aangeduide partijen maken de onvrede zichtbaar. Ook D’66 zou iets met die onvrede moeten doen. Maar onder leiding van de zelfingenomen voorman wenst de partij de onvrede te negeren, want naar ‘tokkies’ hoef je niet te luisteren. Precies daar zit de vergissing. Ook voor D’66 zal het ergste nog moeten komen.

De bestaande onvrede over de gang van zaken en de twijfel over de koers bestaat ook onder veel mensen met een goede opleiding en een goede baan. Ook hun geluid wordt langzaam maar zeker sterker. Ze weten het beter te verwoorden dan de vaak in ongeremde volkse uitspraken gedaan wordt, maar het komt vaak op hetzelfde neer. Het zijn de gewetensvolle mensen die zich zorgen maken over de grote verdeeldheid op veel terreinen en zien waar het spaak loopt.

Van Christopher Lasch werd kort na zijn dood in 1994 zijn laatste boek “The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy”, gepubliceerd. Lasch, die eerder bekend werd van zijn boek: “The culture of Narcissism” (1974), verdient herlezing omdat zijn onvrede als een vroeg signaal gezien kan worden voor wat nu breder gevoeld wordt. De neo-liberale en neo-kapitalistische cultuur sinds het Reagan/Thatcher-tijdperk heeft een samenleving van concurrerende individuen geschapen. De samenleving is er een geworden van de ‘suvival of the fittest’ en de strijd om zo goed mogelijk te overleven haalt bepaald niet het beste in mensen naar boven. The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy, kan gelezen worden als een voorspelling van de opkomst van het huidige D’66 als een van de partijen van een elite die vanuit de eigen belangen een stempel op de samenleving wil drukken en op narcistische wijze haar tegenstrevers veroordeelt.

Groepen vallen uit elkaar als de leiding niet meer wordt vertrouwd. Zo gaat het ook met samenlevingen. Gewetensvolle mensen dienen een motie van wantrouwen in en willen niet dat het op dezelfde manier verder gaat. De problemen die zichtbaar zijn bij de Engelse Conservatieven en de Labour partij zullen ook bij partijen in Nederland en andere Europese landen zichtbaar worden. “We ain’t seen nothing yet!”



zondag 26 juni 2016

Caroline de Gruyter in Nieuwsuur: ‘ik snap niet waarom het volk zo mort’

                                                                   
En wee degenen die gehoor geven aan populisten
“We hebben het nog nooit zo goed gehad en toch zijn er veel mensen ontevreden”. Caroline de Gruyter, NRC-correspondente voor Europa, trekt er een verbaasd gezicht bij als ze in Nieuwsuur haar mening over Brexit geeft. Ik ken haar niet zo goed, maar zo’n uitspraak is voor mij voldoende om haar een plaats te geven bij de narcistische elite die gramstorig reageert als het beeld van de wereld dat haar eigen is, wordt verstoord.

Ze zou tot de Romeinse elite behoord kunnen hebben die het arme volk tevreden probeerde te houden met ‘brood en spelen’. Ook toen zou ze geroepen kunnen hebben: ‘Jullie hebben het nog nooit zo goed gehad’. Volgens het Genootschap onze Taal werd de term ‘brood en spelen’ voor het eerst gebruikt door de schrijver Juvenalis, die kritiek had op de gang van zaken. “Juvenalis gebruikte de term brood en spelen sarcastisch: hij wilde ermee aangeven dat het Romeinse volk oogkleppen op had voor het verval van het Romeinse Rijk. Zolang er maar brood werd uitgedeeld en spelen werden georganiseerd, was het volk tevreden, en keek het niet verder dan zijn neus lang was.”

Er zijn wel overeenkomsten met de situatie van toen, maar die gelden niet voor het ‘volk van Europa’. Dat is niet tevreden met ‘brood en spelen’ en keert zich tegen de narcistische elite. Behalve brood en spelen wil het nog iets anders, iets wat De Gruyter, als exemplarisch voor de narcistische elite, volkomen ontgaat. De welvaart waar ze op doelt is niet gelijk verdeeld en gaat gepaard met veel onzekerheden. Welvaart is ook niet hetzelfde als welzijn. Het is ook niet het door populisten verleide volk (Pechtold!) dat ontevreden is. Wie niet ziet dat die ontevredenheid in alle lagen van de bevolking is aan te treffen, kijkt niet verder dan zijn neus lang is.

Het ‘volk’ is niet gek. Dat ziet al lang dat de narcistische elite armoedebuurten en nieuwbouwwijken verlaat en zich vestigt in of nabij de historische kern van steden of zich vestigt in de meest rustieke plattelandsdorpen. De elite heeft zo haar eigen manieren om de ongemakken die de globalisering met zich mee brengt te compenseren. Die kiest voor de meest historische plekken die uitdrukking geven aan de nationale identiteit. De globalisering verschaft vooral de elite ‘brood en spelen’ maar paradoxaal genoeg ontvluchten ze die ook.

Het ‘volk’ is niet gek. Terwijl hun straat, hun buurt, hun wijk, hun stad, hun dorp verandert door de instroom van mensen met een andere cultuur, verschanst de elite zich in enclaves die opzichtig blank blijven en geeft tegelijkertijd af op het volk dat mort omdat huurwijken niet meer zijn wat ze waren. Het volk wordt ontevreden gemaakt door populisten (Pechtold!) zegt de elite die de ‘xenofobie’ en  ‘islamofobie’ ziet groeien en die veroordeelt. Het is al weer een paradox die de elite laat zien bij wat ze doet en wat ze zegt.

Het ‘volk’ is niet gek. Dat ziet hoe de elite zich met de globalisering verrijkt en met juristen de wetten in hun belang uitleggen. Ze ziet hoe de elite door haar netwerken meer te zeggen heeft hoe belastinggeld wordt verdeeld en hoe de elite de globalisatie met duur betaalde advocaten benut om zo weinig mogelijk belasting te betalen. Alweer een paradox.

Het ‘volk’ is niet gek. Het is niet tevreden te stellen met ‘brood en spelen’ en heeft geen oogkleppen op zoals Juvenalis over het Romeinse volk beweerde. Het ‘volk’ is de opzichtige leugens van de elite meer dan zat. Laat mevrouw de Gruyter dat zich in de oren knopen want de ontevredenheid is een waarschuwing aan de besturende elite en de media. Brexit is een signaal.

De solidariteit van de elite met het volk is aan het verschrompelen. De elite zou er voor het volk moeten zij  en niet andersom.




zaterdag 25 juni 2016

Brexit en het naderende einde van het politiek correcte denken

                                                                     
Politieke correctheid sluit het verstand af voor de werkelijkheid en het hart voor de waarheid
   
Het lezen van kranten is deze dagen een waar feest. Vergelijk bijvoorbeeld eens wat ze vóór Brexit en ná Brexit schrijven. Ná Brexit heeft een hoog gehalte aan het dempen van de put nadat het kalf verdronken is. Niet méér Europa, maar een beter Europa, wordt ons voorgeschoteld door dezelfden die dat vóór Brexit niet als een harde conclusie trokken. De hardcore eurofielen zijn nog niet zo ver en dopen hun pen in azijn. Voor hen is het ‘populisme’ de zondebok en referenda zijn slecht. Ik zoek de zondebok in het postmodernisme dat een nieuw dualisme tussen hart en hoofd schiep waar eigenlijk niet mee te leven valt.

Vanochtend zocht ik bij het openslaan van de Volkskrant het eerst naar de column van Martin Sommer. De laatste jaren ben ik een fan van hem geworden. Vandaag opent de Volkskrant haar Opinie&Debat-pagina met zijn column en dat is een eer die hem, als ik het me goed herinner, niet eerder te beurt is gevallen. “Brussel is diep gevoelde inbreuk op ons denken en doen”, schrijft Sommer in zijn artikel met de titel: ‘Een conservatieve revolutie’. Sommer grijpt terug op Tocqville en beschrijft de stroming die Brexit veroorzaakte als een tegenhanger van de ‘Franse Revolutie’. De betekenis van ‘Gelijkheid en Broederschap’ strekt zich voor de meeste mensen niet uit tot mondiaal niveau en iedereen. “Het onbehagen staat al jaren op het menu.”, schrijft Sommer en vervolgt die constatering met: “Maar het Europese midden slaagt er alsmaar niet in woorden te vinden die hout snijden. Juristen en economen domineren van oudsher het Europadebat, en in hun optiek is het onbehagen eenvoudigweg geen categorie.”. Dat onbehagen, ook wel smalend ‘onderbuikgevoelens’ genoemd door de politiek correcten, weet Sommer wel goed te verwoorden: “Zeden zijn manieren van denken, doen en voelen. Ze gaan vooraf aan wetten, zijn ongeschreven en daarom moeilijk grijpbaar. (….) Zeden zijn ingebed in het verleden en hebben een sterke morele dimensie: zo doen wij dingen.”

Er zijn helaas nog te veel opiniemakers die het helicopterniveau van Sommer niet halen. “Dit was een stem tegen globalisering” luidde het hoofdcommentaar in de NRC van gisteren dat er de volgende conclusie aan verbond: “Een overwinning van kortzichtig nationalistisch populisme, dat aan twee kanten van de Atlantische oceaan in opkomst is. De NRC is bepaald niet de enige die zich politiek correct blijft verzetten tegen het erkennen van de ‘zeden’ van Martin Sommer. De Volkskrant heeft daar Bert Wagendorp voor. Die schrijft in zijn column vandaag: “Het volk op De Eilanden liet zich door politieke rattenvangers als lemmingen naar de rand van de afgrond voeren (…)”. Wagendorp is op zijn best als hij zijn postmodernistische gal spuugt. In zijn ‘postmoderne bubbel’ ontgaat het hem echter dat juist het postmodernisme het belangrijkste probleem vormt in deze woelige tijden.

Het postmodernisme heeft ons onzeker gemaakt. Het heeft ons geleerd dat we onze natuurlijke instincten en aangeboren ‘zeden’ niet meer mogen vertrouwen en dat zelfs ook de woorden die we gebruiken onbetrouwbaar zijn. Het heeft een vlucht veroorzaakt naar het ‘veilige’, politiek correcte denken dat een zaak van het hoofd is, maar niet van het hart. Aanhangers van het politiek correcte zijn gedwongen te leven met een valselijk beeld van de werkelijkheid. Het hart is onbetrouwbaar en daarmee staat het dualisme weer helemaal op de kaart. We zijn daarmee terug bij Plato, Augustinus en Descartes. De tegenwoordig alom geëerde Spinoza herstelde in de zeventiende eeuw de orde en bracht hart en hoofd weer als onafscheidelijk bij elkaar zoals Sommer dat vandaag in de Volkskrant op zijn eigen wijze doet. Het zijn profeten die in eigen land nog onvoldoende worden geëerd.

Europa is niet de zondebok, noch zijn haar leiders en supporters dat. Ze hebben zich, om de woorden van Wagendorp te hergebruiken, door de rattenvangers van het postmodernisme als lemmingen naar de afgrond laten leiden en nemen iedereen mee in de postmoderne waan van de dag.

Als er één conclusie moet worden getrokken is het wel dat de menselijke maat en zeden weer leidend moeten worden. Weg met het postmodernisme en de daarmee samenhangende dualiteit van lichaam en geest. Ze zijn één!









vrijdag 24 juni 2016

Brexit en de bedreigde elite

                                                                     
Het eerste schaap is over de dam

Gisteren ging ik slapen met de gedachte dat het Bremain zou worden. Vanmorgen bleek het Brexit te zijn geworden. Het voelde een beetje als een schok. In een weddenschap had ik een beetje geld op Brexit gezet. Nu ik die heb gewonnen voelt het toch een beetje als een kater. Brexit zal de wereld opschudden. Ik moest denken aan Hendrik VIII die in 1534 met Engeland zich losmaakte van de dominante katholieke kerk die over heel Europa heerste. De op gang gekomen reformatie won daardoor aan kracht.

De komende dagen zullen we de nodige analyses over ons heen krijgen. Ik ben vooral benieuwd hoe de eurofiele elite gaat reageren. Toen Brexit nog een dreiging was, beschreven ze het als een project van populisten, een kwestie van emoties in plaats van verstand en luidden ze de noodklokken voor het geval het Brexit zou worden.

Brexit zie ik echter als het falen van de Europese elite die niet in staat is geweest de onderstroom te lezen en daar rekening mee te houden. In plaats daarvan veroordeelden ze die onderstroom als een opstand van het gepeupel. Het is dezelfde manier waarop de elite altijd reageert. Standpunten die ze niet bevallen, krijgen een negatieve beoordeling en niet zelden in de vorm van een veroordelende omschrijving van gedrag. De gebruikte scheldwoorden zijn signalen van een zich al langer bedreigd voelende elite de tegenstroom ziet groeien.

Hendrik VIII besloot niet in zijn eentje om de katholieke kerk te verlaten. Dat zou ook niet gebeurd zijn als in zijn omgeving en onder het volk al niet dezelfde gevoelens leefden. Het zou me niet verbazen als indertijd ongeveer dezelfde verhouding bestond als bij het nu gehouden referendum. Tweeenvijftig procent voor het gedag zeggen van Rome en achtenveertig procent voor trouw aan Rome. Je ziet het nu nog terug in de Anglicaanse ‘High Church’ en ‘Low Church’. In plaats van over Rome gaat het nu om Brussel.

Brexit zie ik als een opstand van het gewone volk dat zich verzet tegen de elite en met name ook tegen de Britse elite die net als overal elders de lasten van haar beleid afwentelde op het volk. Dat morde al langer, maar werd genegeerd en weggezet. De patriarchale elite denkt niet inclusief maar ziet vooral toe op haar eigen belangen en inzichten. In Nederland is D’66 daar de meest herkenbare vertegenwoordiger van. Brexit lijkt me een waarschuwing te zijn voor Europa en de rest van de wereld. Brexit is de eerste beving van een zich opbouwende aardschok. De gevolgen zijn nog niet overzienbaar, maar in Nederland bijvoorbeeld zal Nexit aan kracht winnen.

Toevallig of niet heeft de Volkskrant vandaag een uitvoerig artikel met de kop: We beleven eentransitie als in de Renaissance. Het artikel is van de hand van Thomas Friedman die in de kolommen van de Volkskrant een graag geziene gast is. Friedman wijdt zijn artikel aan de bespreking van een boek waarin gesteld wordt dat de boekdrukkunst de Renaissance mogelijk maakte en dat de informatierevolutie een nieuwe Renaissance inluidt.

De periode die als Renaissance wordt aangeduid kennen we tegenwoordig beter door de schone kunsten uit die periode dan door de woelige tijden die er destijds heersten. Tegenwoordig leven we in woelige tijden en dat zal nog wel een tijdje aanhouden. De wereld zoekt naar een nieuw evenwicht en dat gaat niet zonder schokken. Die schokken zijn wellicht ook nodig. Er dienen nieuwe antwoorden te worden gevonden op de haperende democratie, op de verhouding met Rusland en het Midden-Oosten, op de migratie en de aard van de islam, op de verdeling van de welvaart en op de vraag hoe Europa er in de toekomst zal moeten uitzien.

Update: Treffender kan mijn betoog niet geïllustreerd worden dan met de kop die de Volkskrant koos voor een artikel:
Brexit: Britse onderklasse rekent af met gevestigde orde





donderdag 23 juni 2016

Allochtonen bij de politie, het waarom van de moeizame relatie

                                                                     
en daarom snap ik weinig van Nederland

Volgens de laatste gegevens bedraagt de instroom van allochtonen bij de politie ongeveer tien procent. Afgezet tegen het landelijk percentage allochtonen is dat zo slecht nog niet. Dat er zich ondanks dat een tekort voordoet heeft te maken met de hoge uitval. Politiechef Erik Akerboom vertelde gisteren in Nieuwsuur dat hij met het oog op een bredere diversiteit bij de politie naar een instroompercentage van vijfentwintig procent streeft. Ik nam aan dat hij zo hoog gaat zitten in de hoop op meer ‘blijvers’.

In Nieuwsuur van 22 juni ontving presentator Twan Huys de nog bijna hagelnieuwe politiechef Erik Akerboom en onderworp hem als een inquisiteur aan een kruisverhoor. Waarom lukt het de politie al langdurig niet om op straat een divers gezicht te laten zien en ligt dat soms aan de blanke dominantie in het politiekorps?, waren zo’n beetje de vragen van Twan Huys. Akerboom bleef onverstoorbaar diplomatieke antwoorden geven. Bij dit nieuwsitem kreeg de kijker een gekleurde versie van de situatie voorgeschoteld. De vraag waarom allochtonen vaak weer de politie verlaten werd middels een ingelast interview eenzijdig beantwoord. Blanke agenten maken veel makkelijker promotie mocht een vetrokken ex-politieman zeggen. Dat is een halve waarheid.

Twan Huys is niet mijn favoriete presentator bij Nieuwsuur. Zijn blik op de wereld is sterk gekleurd door de jaren die hij als correspondent in Washington en New York verbleef. Het ‘racismedebat’ heeft in Amerika echter een geheel eigen achtergrond en geschiedenis die niet zomaar op de Nederlandse situatie kan worden geplakt. Dat lijkt Huys echter voortdurend te doen. Ook bij dit nieuwsitem krijgt de blanke politieman eenzijdig de schuld, zijn allochtonen het slachtoffer en doet de leiding niet genoeg haar best. Akerboom liet zich in een hoek drukken door de bevooroordeelde presentator.

Nieuwsuur is niet van het ‘nieuwe realisme’. Ze toont een wensbeeld en een eenzijdige visie op de realiteit. Daarmee draagt de staatsomroep niet bij aan een gewenste oplossing van de problemen.

De politiewereld staat bekend om zijn harde interne cultuur. Wie daar niet in mee kan komen, redt het niet. Precies daar schuilt het probleem waar allochtone nieuwkomers bij de politie tegen aan lopen. Heel veel van die nieuwkomers zijn feitelijk onvoldoende geïntegreerd om te kunnen slagen bij de politie. Degenen die het wel gered hebben zouden een rolmodel moeten zijn bij de werving van nieuwe allochtone agenten.

Het probleem wordt veroorzaakt door hardnekkige culturele verschillen. Allochtonen zijn veel meer dan autochtonen gevoelig voor eer en reputatie. In een harde cultuur maakt ze dat kwetsbaar. Ze zijn sneller op hun teentjes getrapt of voelen zich eerder achtergesteld. Een goede analyse wordt zelden gemaakt. Allochtonen leggen de oorzaak bij hun ‘allochtoon’ zijn waarbij kleur en etniciteit volgens hen een rol zouden spelen. Dat het probleem wordt veroorzaakt door een andere cultuur en de daar aan verbonden gevoeligheden wordt weggerationaliseerd.
Een politieagent die met cultureel bepaalde gevoeligheden reageert, valt snel uit de boot. Dat heeft een gevolg voor vertrouwen, taaktoewijzing en promotie. De neiging om voor het eigen tekortschieten een externe verklaring te zoeken, is groot. “Het wordt me niet gegund”, is het gevoel van miskenning.

De situatie bij de politie kan als exemplarisch worden gezien voor allochtonen die het ook elders in de beroepensfeer niet redden. Het cultureel ‘anders’ zijn zorgt op de werkvloer regelmatig voor ongelukken. Die komen het vaakst voor waar sprake is van een harde cultuur.

Voor de Twan Huysen van deze wereld, zou het cultureel ‘anders’ zijn er niet toe mogen doen. De blanke politieman zou in dat model een beter mens moeten worden dan hij kan zijn. En met dat (marxistisch) model groeien we steeds verder van een werkzame oplossing af. Integreren vanaf de vroegste jeugd is de oplossing voor allochtonen die een volwaardig en geaccepteerd lid van de samenleving willen worden. Zonder culturele integratie zullen de problemen en spanningen in de samenleving alleen maar blijven toenemen.




woensdag 22 juni 2016

Over krom denken na een dagje Spinoza met een vluchtelingendochter

                                                                   


Het begon met een postzegel ergens in de jaren zeventig. Een mooi ontwerp dat bij mij de vraag wekte: ‘wat weet ik eigenlijk van die man?’ Die vraag bleef sluimeren en ging nooit weg. Dan komt er zo’n moment dat je in een goed gesorteerde boekwinkel een boek van hem ziet staan en dat spontaan koopt. Zoals dat wel vaker bij mij gebeurt groeide dat uit tot een hele plank ‘Spinoza’. Mijn enthousiasme om over hem te vertellen sloeg niet overal aan. Maar wel bij een dochter uit een vluchtelingengezin met aanleg voor filosofie. Ze gaat geen vraag uit de weg. Gisteren loste ik een oude belofte in. Op bezoek gaan bij het Spinozamuseum in Rijnsburg.

Filosoferen is eigenlijk niet veel meer dan minder alledaagse vragen stellen en op zoek gaan naar antwoorden. Je hoeft er geen filosoof voor te kennen. Op zijn tijd doen we het allemaal. De mens is een denkend wezen met vragen die vaak groter zijn dan hij eigenlijk aankan. Sommigen kunnen dat beter dan anderen. Spinoza vroeg zich af ‘wie en wat is god?’ en kwam met een verrassend antwoord: ‘god is natuur en beantwoordt aan natuurkundige wetten’. Vergeet maar dat er wonderen mogelijk zijn, was zijn boodschap. In de nog sterk religieuze zeventiende eeuw sloeg menigeen de schrik om het hart en als je iemand verdacht wilde maken volstond het al om hem een ‘spinozist’ te noemen. Tegenwoordig gebruiken we daar termen ‘íslamofoob’ of ‘xenofoob’ en 'racist' voor.

Hoewel zijn motto ‘caute’ (wees voorzichtig) was, kan Spinoza als een durfal beschouwd worden als het op denken aankwam. Hij ging uit van de mens zoals die is en niet zoals die zou moeten zijn.  De natuurkundige Einstein, ook al zo’n durfal, bezocht ooit hetzelfde museum als waar wij waren. Van hem is de uitspraak bekend: ‘Ik geloof in de god van Spinoza’. De filosoof staat tegenwoordig weer volop in de belangstelling. Daar hecht ik betekenis aan, al is het niet goed te verklaren. De hernieuwde belangstelling hangt denk ik samen met de vraag wie we willen zijn, een vraag die in deze verwarrende tijden weer om een nieuw antwoord vraagt omdat de vanzelfsprekendheid achter ons ligt.
                                                                 
De confrontatie met de islam is een van de oorzaken die verwarring teweeg heeft gebracht. Spinoza heeft de antwoorden, al zullen we die vanuit de bestaande situatie opnieuw moeten doordenken en formuleren. Bij de filosoof van de vrijheid vond ik maar één zin waarin de islam werd genoemd. Van alle religies heeft de islam haar gelovigen het best onder controle, schrijft hij in zijn ‘Theologisch-politiek traktaat’. Het is geen verdwaald zinnetje want Spinoza schrijft over de belemmering van het vrije denken die wordt veroorzaakt door de afgedwongen conformiteit aan voor eeuwig gestolde theologische ‘waarheden’. Het was geen nieuw thema in de filosofie. Al in de twaalfde eeuw probeerde Averroes (Ibn Rushd) de wetenschap te bevrijden uit de theologische gevangenschap. Het is hem niet gelukt. Zijn tegenstrever Hamid Al-Ghazali vond dat de islam geen behoefte had aan filosofen omdat die alleen maar verwarring zaaiden. Die opvatting overheerst nog steeds binnen de orthodoxe islam. Averroes kunnen we echter in Europa zien als een van de voorvaders van Spinoza.

Die orthodoxie leidt tot een wangedrocht als het om denken gaat. Antwoorden moeten worden gevonden binnen een gesloten twaalfde-eeuws denksysteem en tarten daarom alle wetten van de logica. Je merkt dat in discussies met orthodoxe moslims. Je loopt altijd weer aan tegen hun ijzeren ring van standaard antwoorden. Het leukst is altijd als moslims zeggen: ‘Ik mag denken wat ik wil want in Europa is er vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting’. Noch de vrijheid van godsdienst, noch de vrijheid van meningsuiting is goed begrepen in die opvatting. In geen enkele discussie gaan ze buiten de islamitische ‘catechismus’ met voorgeschreven antwoorden. Averroes beschreef het in de twaalfde eeuw al als ‘wartaal van verwarden’.

In de ontmoeting met de islam raken we in de war. Dat komt omdat de tegenwoordige mensenrechten verabsoluteerd worden en een ijzeren ring vormen om ons denken. We geven godsdienstvrijheid aan een religie die vrijheid van godsdienst niet toestaat. Kan het krommer?

Gisteren voelde ik dat Spinoza zich omdraaide in zijn graf en de vluchtelingendochter voelde dat ook. Hij kan ons alleen nog via zijn boeken toeroepen dat het de bestemming van de mens is om vrij te zijn. De vluchtelingendochter en ik kochten uit het bescheiden boekenstalletje allebei een boek. De wereld heeft behoefte aan Spinoza en aan durfals die hem in hedendaagse antwoorden kunnen vertalen.


Uit mijn nieuw aangekochte boek: 'Spinoza. Vijf wegen naar de vrijheid.' Van Martin van Buuren.

"Zelfbeschikking wordt bevochten op instanties die gezag over ons uitoefenen: ouders, kerk, autoriteiten. Het recht om over onszelf te beschikken is afhankelijk van de macht die we in staat zijn te ontplooiien, want macht is recht, zegt Spinoza in een van die verbluffende stellingen waarvan de reikwijdte nauwelijks is te overzien."